Grondwettelijk Hof vernietigt passage in Arbeidsongevallenwet wegens overdreven formalisme

Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 24 november 2016 een specifieke bepaling uit de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 vernietigd. Het gaat om een overdreven formalistische bepaling die in de praktijk nauwelijks wordt gebruikt en waarover het Grondwettelijk Hof in een eerder arrest al had gezegd dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Zwaarwichtige inbreuken

De bestreden bepaling is artikel 46, §1, eerste lid, 7°, d), zoals ze van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.

De verzoekende partijen waren in 2012 het slachtoffer van een arbeidsongeval bij een werkgever die in 2007 door de sociaal inspecteur in gebreke was gesteld voor zwaarwichtige inbreuken op de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

De burgerlijke partijstelling tegen hun werkgever werd onontvankelijk verklaard om de enkele reden dat de sociaal inspecteur in zijn ingebrekestelling niet had vermeld dat de werkgever aansprakelijk kon worden gesteld voor de schade die zou voortvloeien uit een arbeidsongeval indien hij zou nalaten de passende maatregelen te nemen.

Vereiste belang

Er is sprake van het 'rechtens vereiste belang' om de vernietiging van de bestreden bepaling te vorderen. Want in een eerder arrest had het Grondwettelijk Hof gesteld dat de bepaling in kwestie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt omdat er sprake is van een 'overdreven formalisme'.

Na een prejudiciële vraag had het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het niet verantwoord is dat slachtoffers van een arbeidsongeval, tegen hun werkgever die zwaarwichtig is tekortgekomen en die daarvoor in gebreke is gesteld, geen gemeenrechtelijke vordering tot schadevergoeding kunnen instellen om de enkele reden dat de administratie niet uitdrukkelijk in de ingebrekestelling aan de werkgever heeft vermeld dat hij zijn immuniteit zou kunnen verliezen indien hij geen gevolg geeft aan de opgelegde passende maatregelen.

Volgens het hof 'getuigt het niet alleen van een vergaand formalisme indien bovendien wordt vereist dat in de ingebrekestelling expliciet zou moeten worden vermeld dat de niet-uitvoering van de in de ingebrekestelling opgelegde maatregelen zou kunnen leiden tot de opheffing van de principiële immuniteit van de werkgever, maar bovendien brengt dat bijkomende voorschrift het risico mee de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering van het slachtoffer van een arbeidsongeval afhankelijk te maken van de beslissing of zelfs de vergetelheid van de toezichthoudende ambtenaar om in de ingebrekestelling expliciet die vermelding op te nemen.'

Wetgever

Na het arrest van 21 mei 2015 heeft de wetgever de bestreden bepaling opgeheven. De wetgever heeft zich dus geschikt naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

In de toelichting bij de wet wijst men er bovendien op dat de door de Arbeidsongevallenwet gecreëerde mogelijkheid in de praktijk niet of nauwelijks werd toegepast. Dus kon aan de vastgestelde ongrondwettigheid eenvoudig worden verholpen door de littera d) te schrappen. Dat is met ingang van 2 juni 2016 gebeurd.

Maar die opheffing ontslaat het Grondwettelijk Hof niet van zijn onderzoek van het beroep tot vernietiging, aangezien de opheffing slechts voor de toekomst geldt en geen invloed heeft op de afwijzing van de burgerlijke partijstelling van de verzoekende partijen.

Uiteraard is de opgebouwde redenering dezelfde. Men citeert ook uit het vorige arrest. Het hof stelt dan ook dat het eerste middel dat nu aangevoerd wordt, gegrond is 'om redenen die identiek zijn aan die in het voormelde arrest nr. 62/2015'. Artikel 46, §1, eerste lid, 7°, d) van de Arbeidsongevallenwet moet dus wel degelijk worden vernietigd. Het tweede middel moet niet worden onderzocht omdat het niet tot een ruimere vernietiging kan leiden.

Uit het arrest blijkt dat de ministerraad aanvoert dat de nieuwe beoordeling van alle arbeidsongevallen die nog niet zijn verjaard, de sociale vrede op het spel zou zetten.

Gevolg

De vernietiging van de bestreden bepaling heeft slechts tot gevolg dat, met terugwerkende kracht, voor een specifieke categorie van arbeidsongevallen de uitzondering op het beginsel van de immuniteit van de werkgever voor arbeidsongevallen wordt uitgebreid.

Het Grondwettelijk Hof vat het met deze volzin samen:

'Het gaat om de gevallen waarin de werkgever door de in de bestreden bepaling bedoelde ambtenaren is gewezen op het risico op arbeidsongevallen waaraan hij zijn werknemers blootstelt door zijn zwaarwichtig overtreden van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk,

maar de door hen voorgeschreven passende maatregelen niet heeft uitgevoerd,

terwijl die ambtenaren niet hebben meegedeeld dat hij, indien hij die maatregelen niet neemt, door de getroffene en diens rechthebbende kan worden aangesproken met een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering.'

Bovendien benadrukt het hof dat het slechts gaat om die aansprakelijkheidsvorderingen die nog niet zijn verjaard en waarover de geadieerde rechter nog geen in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft genomen.

Slotsom: 'Een rechterlijke beoordeling ten gronde van de voormelde elementen in een beperkt aantal gevallen is derhalve niet van dien aard dat zij de sociale vrede in gevaar kan brengen. Het verzoek om de gevolgen van de vernietigde bepaling te handhaven, wordt verworpen.'

09.06.2017

Verzekeringsplicht voor architect én aannemer, dakdekker, plaatser van ramen en deuren… Lees meer

02.06.2017

Zelfstandigen kunnen verzekering gewaarborgd inkomen verlengen tot 65 jaar Lees meer

29.05.2017

Wat is de “zwarte lijst”? Lees meer

02.05.2017

Brandverzekering kan dekking tegen overlopen riolen uitsluiten in risicozones Lees meer

NIEUWSBRIEF
website door Kluwer EasyWeb

We gebruiken cookies om uw taalvoorkeur bij te houden en surfervaring op deze website gemakkelijker te maken. Meer weten[OK]