Aanvullend pensioen voor kleine zelfstandigen: fiscaal luik van de nieuwe tweede pensioenpijler

Zelfstandigen-natuurlijke personen kunnen nu ook, naast hun vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ), een volwaardig aanvullend pensioen (tweede pijler) opbouwen dat vergelijkbaar is met dat van de zelfstandige bedrijfsleiders.

De wet van 18 februari 2018 biedt de zelfstandigen-natuurlijke personen (zelfstandigen zonder vennootschap), de meewerkende echtgenoten en de zelfstandige helpers, de mogelijkheid om een 'pensioenovereenkomst voor zelfstandigen' af te sluiten met een pensioenfonds of een verzekeraar.

Op het vlak van inkomstenbelastingen houdt de nieuw regeling in dat:

de bijdragen voor het aanvullend pensioen in aanmerking komen voor een (federale) belastingvermindering van 30%;

het bedrag van de bijdragen dat in aanmerking komt voor deze belastingvermindering wordt bepaald in functie van een aangepaste 80%-regel;

de uitkeringen vanaf de vroegst mogelijke pensioenleeftijd of naar aanleiding van het overlijden van de aangeslotene in de inkomstenbelasting belast worden tegen het tarief van 10%.

Op de premies en bijdragen voor het nieuwe aanvullende pensioen zal een jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen betaald moeten worden van 4,4%. En er zullen er ook nog twee sociale inhoudingen gebeuren: de solidariteitsbijdrage van maximum 2% en een RIZIV-inhouding van 3,55%.

Hierna volgt een beknopt overzicht de van het fiscaal luik van deze nieuwe tweede pensioenpijler.

Inkomstenbelastingen

Rente

Alhoewel de wet van 18 februari 2018 de omzetting van een aanvullend pensioenkapitaal in een rente niet expliciet regelt, kan een aanvullend pensioenkapitaal dat is opgebouwd in het kader van de nieuwe tweede pijler omgezet worden in een renteuitkering.

Om te vermijden dat zowel het aanvullend pensioenkapitaal als de lijfrente die wordt aangelegd door dat pensioenkapitaal af te staan, als pensioen worden belast, voegt de wet in artikel 17, § 1, 4° van het WIB 1992 een verwijzing in naar het nieuwe tweede pijlerpensioen (art. 52, wet van 18 februari 2018). Zo wordt expliciet bepaald dat die lijfrenten geen pensioenen zijn, maar belastbaar zijn als inkomen van roerende goederen en kapitalen.

Belastbare pensioenen

De uitkeringen van het nieuwe aanvullend pensioen voor kleine zelfstandigen, worden expliciet aangemerkt als belastbare pensioenen (nieuw punt 2°ter, § 1, art. 34, WIB 1992; art. 53, wet van 18 februari 2018).

Ze zijn altijd belastbaar, ongeacht of er een belastingvermindering voor de bijdragen werd verleend of niet (toevoeging van verwijzing naar art. 145(1), 1°bis, WIB 1992 in art. 39, § 2, 2°, d, WIB 1992; art. 54, wet van 18 februari 2018).

Deelnemingen in de winst voor overeenkomsten in het kader van de nieuwe tweede pijler zijn onderworpen aan de taks op de winstdeelnemingen. Als de deelnemingen in de winst gelijktijdig met het aanvullend pensioen worden vereffend, zijn ze vrijgesteld van inkomstenbelastingen bij toepassing van artikel 40 van het WIB 1992. De 'aanvullende pensioenovereenkomsten voor zelfstandigen' vermeld in artikel 40, eerste lid van het WIB 1992 worden geacht ook de nieuwe tweede pijler voor zelfstandigen te omvatten.

80%-regel

Artikel 59, § 4, tweede lid van het WIB 1992 bevat een niet-limitatieve lijst van aanvullende pensioenen die in rekening moeten worden gebracht voor de toepassing van de 80%-regel. De wet van 18 februari 2018 voegt daar expliciet een verwijzing naar de nieuwe tweede pijler aan toe (wijziging art. 59, § 4, tweede lid, eerste streepje, WIB 1992; art. 55, wet van 18 februari 2018).

Belastingvermindering

De bijdragen voor het nieuwe aanvullende pensioen voor kleine zelfstandigen geven recht op een (federale) belastingvermindering lange termijnsparen (nieuw punt 1°bis, art. 145(1), WIB 1992; art. 56 , wet van 18 februari 2018). Die belastingvermindering bedraagt 30% van de werkelijk betaalde uitgaven (art. 145(2) , WIB 1992).

Enkel bijdragen betaald door belastingplichtigen die een aanvullende pensioenovereenkomst als bedoeld in de wet van 18 februari 2018 hebben afgesloten, komen in aanmerking voor de belastingvermindering. Dergelijke pensioenovereenkomsten kunnen afgesloten worden door zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, meewerkende echtgenoten en zelfstandige helpers die minstens de minimumbijdrage in hoofdberoep verschuldigd zijn. Zelfstandigen die enkel bezoldigingen als bedrijfsleider aangeven, zijn uitgesloten. Ook startende zelfstandigen in hoofdberoep kunnen zo'n aanvullende pensioenovereenkomst afsluiten.

Zelfstandigen die hun beroepsactiviteit stopzetten, die hun beroepsactiviteit volledig in een vennootschap onderbrengen, met pensioen gaan, niet langer als meewerkende echtgenoot verzekerd zijn, ... kunnen geen bijdragen meer storten in een pensioenovereenkomst als bedoeld in de wet van 18 februari 2018.

De bijdragen en premies die kleine zelfstandigen betalen voor het nieuwe aanvullende pensioen komen voor een belastingvermindering in aanmerking onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende grenzen (art. 145(3/1), § 1, eerste lid, 1°, WIB 1992; art. 58, wet van 18 februari 2018):

de bijdragen en premies zijn definitief gestort aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen;

de wettelijke en extra-wettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten en berekend op basis van een normale duur van de beroepswerkzaamheid van 40 jaar, bedragen niet meer dan 80% van het referentie-inkomen. Een indexering van de renten is toegelaten;

de belastingplichtige houdt de bewijsstukken ter beschikking van de belastingadministratie die de vaststelling mogelijk maken van de echtheid en het bedrag van de betalingen en het naleven van de in punt 1) en 2) vermelde voorwaarden en grenzen.

De 80%-regel in het kader van de nieuwe tweede pijler voor zelfstandigen, die in punt 2) hierboven wordt omschreven, wijkt af van de 80%-regel die in artikel 59 van het WIB 1992 staat. Dit om rekening te houden met de specifieke inkomenssituatie van zelfstandigen van wie het inkomen als winst of baten wordt gekwalificeerd.

De wet van 18 februari 2018 lijst de elementen op waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van deze aangepaste 80%-grens (nieuw art. 145(3/1), § 1). Bij de berekening van deze grens moeten bv. andere tweedepijlerpensioenen in rekening worden gebracht. De Koning kan de vorm en de inhoud van de bewijsstukken die de belastingplichtige ter beschikking moet houden van de administratie, en de toepassingsmodaliteiten van de belastingvermindering verder bepalen (nieuw art. 145(3/1), § 3, WIB 1992; art. 58, wet van 18 februari 2018).

Voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de definitieve storting van de vereiste bijdragen en premies voor de pensioenovereenkomst, wanneer ze worden toegestaan om het de belastingplichtige mogelijk te maken in de EER gelegen onroerende goederen die in België of in een andere EER-lidstaat belastbare inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen. En op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de zelfstandige verdwijnen.

Deze beperkingen moeten wel ook ingeschreven zijn in de pensioenovereenkomst (nieuw art. 145(3/1), § 2, WIB 1992; art. 58, wet van 18 februari 2018).

Net zoals bij de tweede pijlerpensioenen voor werknemers en bedrijfsleiders, wordt de eerste schijf van 78.300 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2018) van het kapitaal of de afkoopwaarde belast onder de vorm van een omzettingsrente, voor zover het gaat om voorschotten of leningen voor het bouwen, verwerven, verbouwen, verbeteren of herstellen van een in de EER gelegen enige woning die uitsluitend bestemd is voor het persoonlijk gebruik van de ontlener en zijn gezin (invoegen van een verwijzing naar art. 34, § 1, 2°ter, WIB 1992 in art. 169, § 1, tweede lid, WIB 1992; art. 60, wet van 18 februari 2018).

Individuele levensverzekering

In artikel 145(4), 3° van het WIB 1992 wordt een verwijzing ingevoegd naar artikel 145(1), 1°bis van het WIB 1992 zodat de individuele levensverzekeringen die worden gesloten in het kader van de wet van 18 februari 2018 niet in aanmerking kunnen komen voor de in artikel 145(1), 2° van het WIB 1992 bedoelde belastingvermindering (art. 59, wet van 18 februari 2018).

Uitkeringen in kapitaal belast tegen 10%

Tweede pijlerpensioenen die onder de vorm van een kapitaal worden uitgekeerd worden in beginsel afzonderlijk belast. Een uitzondering hierop vormen het VAPZ en, onder bepaalde voorwaarden, het gedeelte van het aanvullend pensioen dat wordt gebruikt om een hypothecaire lening voor een woning te waarborgen of weder samen te stellen. Dergelijke uitkeringen worden overeenkomstig artikel 169 van het WIB 1992 belast tegen een omzettingsrente (zie hoger).

De uitkeringen in kapitaal van het nieuwe aanvullende pensioen voor kleine zelfstandigen zullen worden belast tegen het tarief van 10% indien ze worden uitgekeerd bij leven, en dit vanaf de leeftijd waarop de zelfstandige voldoet aan de voorwaarden om zijn vervroegd rustpensioen op te nemen, of naar aanleiding van zijn overlijden (art. 171, 2°, nieuw punt c), WIB 1992; art. 61, wet van 18 februari 2018).

Uitkeringen op een ander tijdstip worden belast tegen een tarief van 33% (art. 171, 1°, nieuw punt j), WIB 1992; art. 61, wet van 18 februari 2018).

Niet-inwoners

De wet van 18 februari 2018 wijzigt ook artikel 243, derde lid van het WIB 1992 zodat ook niet niet-inwoners die in België inkomsten behalen of verkrijgen als zelfstandige (andere dan bezoldigingen van een bedrijfsleider) in aanmerking kunnen komen voor de belastingvermindering wanneer hun tijdens het belastbare tijdperk in België belastbare beroepsinkomsten minder van 75% uitmaken van hun wereldwijd behaalde beroepsinkomsten (art. 62, a), wet van 18 februari 2018).

Voor alle categorieën van niet-inwoners geldt bovendien dat de premies en bijdragen slechts in aanmerking worden genomen voor de belastingvermindering voor zover ze betrekking hebben op Belgische beroepsinkomsten die worden geregulariseerd in de belasting van niet-inwoners (art. 62, b), art. 63 en art. 64, wet van 18 februari 2018).

Wanneer kapitalen of afkoopwaarden die gevormd zijn in het kader van de nieuwe tweede pijler voor zelfstandigen door de verzekeringsonderneming of de pensioeninstelling waarbij ze gevestigd zijn, worden overgedragen naar een soortgelijke pensioenovereenkomst bij een in de EER gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, dan zal die overdracht bij toepassing van artikel 364ter, WIB 1992 ook niet als een betaling of toekenning worden beschouwd (invoegen van een verwijzing naar artikel 145(1), 1°bis, WIB 1992 in artikel 364ter, eerste lid, WIB 1992).
De latere betaling of toekenning kan wel nog worden belast.

In werking

De regels inzake inkomstenbelastingen (art. 52-66, wet van 18 februari 2018) zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019.

Wetboek van diverse rechten en taksen

Jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen

Op de premies en bijdragen voor het nieuwe aanvullende pensioen zal een jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen betaald moeten worden van 4,4% (art. 175(1), § 2, nieuw punt 7°, WDTR; art. 67, wet van 18 februari 2018). Dit tarief is ook van toepassing op de bijdragen en premies voor andere tweede pijlerpensioenen. Ze worden dus niet onderworpen aan het “normale tarief” van 9,25%, noch aan het tarief van 2% dat geldt voor individuele levensverzekeringen.

Vrijstelling

Ook de contracten waarbij lijfrenten of tijdelijke renten worden aangelegd tegen storting met afstand van een kapitaal dat is gevormd in het kader van het nieuwe aanvullende pensioenstelsel voor kleine zelfstandigen, worden vrijgesteld van de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen (invoegen van een verwijzing naar artikel 34, § 1, 2°ter, WIB 1992 in artikel 176(2), 8°, WDTR; art. 68 , wet van 18 februari 2018).

30.11.2018

Wetsvoorstel 'Recht om vergeten te worden' Lees meer

19.11.2018

Vrij aanvullend pensioen voor werknemers: fiscale aspecten (wetsontwerp) Lees meer

09.11.2018

Verzekering van zelfrijdende voertuigen: de automatische omnium Lees meer

06.11.2018

ABEX-index stijgt met 20 punten Lees meer

NIEUWSBRIEF
website door Kluwer EasyWeb

We gebruiken cookies om uw taalvoorkeur bij te houden en surfervaring op deze website gemakkelijker te maken. Meer weten[OK]